Strada lex - Tijdschriften - Arresten van het Hof van Cassatie https://www.stradalex.com/ Strada lex - Tijdschriften - Arresten van het Hof van Cassatie fr-be Copyright 2019 Strada lex - DBiT info@stradalex.com (info) Strada lex - Tijdschriften - Arresten van het Hof van Cassatie https://www.stradalex.com/img/public/logo.png https://www.stradalex.com/ 103 60 Logo Strada lex Cass., 1° k. — 1 februari 2018 (AR C.17.0130.N), A.C., 2018/2, p. 239-246 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p239 Onder een dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244, §1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet worden verstaan het instellen van een rechtsvordering waarbij de eiser het bedreigde recht dat aan verjaring is onderworpen ten gronde wil laten erkennen. (Art. 2244, §1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).

Brieven of geschriften waarbij de partijen in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling betwistingen of aanspraken ter kennis brengen van de notaris-vereffenaar, vormen geen verjaringsstuitende dagvaarding voor het gerecht aangezien daardoor geen rechtsvordering wordt ingesteld. (Art. 2244, §1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p239
Cass., 1° k. — 2 februari 2018 (AR C.16.0167.F), A.C., 2018/2, p. 246-248 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p246 De herneming, wegens nieuwe omstandigheden, van een eerder verworpen vordering tot het verkrijgen van beschrijvende maatregelen is geen vordering tot wijziging of intrekking van de beschikking in de zin van artikel 1032 van het Gerechtelijk Wetboek. (Art. 1032 Gerechtelijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p246
Cass., 1° k. — 2 februari 2018 (AR C.16.0448.F), A.C., 2018/2, p. 248-251 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p248 Tenzij het bestuur van de gewone commanditaire vennootschap werd toevertrouwd aan een persoon die niet met de vennootschap verbonden is, mag dat bestuur enkel aan de beherende vennoten worden toevertrouwd. (Artt. 202 en 207, § 1, Wetboek van Vennootschappen).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p248
Cass., 1° k. — 2 februari 2018 (AR C.17.0055.F), A.C., 2018/2, p. 251-253 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p251 Het verval van een verbintenis door het verdwijnen van het voorwerp ervan veronderstelt dat het definitief onmogelijk is geworden het voorwerp van die verbintenis in natura uit te voeren.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p251
Cass. 1° k. — 2 februari 2018 (AR C.17.0386.F), A.C., 2018/2, p. 253-254 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p253 Wanneer het misbruik in de uitoefening van rechten betrekking heeft op de toepassing van een contractueel beding, kan het herstel erin bestaan dat de schuldeiser het recht wordt ontzegd om op dat beding een beroep te doen. (Art. 1134, derde lid, Burgerlijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p253
Cass., 2° k. — 6 februari 2018 (AR P.17.0359.N), A.C., 2018/2, p. 254-256 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p254 Uit artikel 20.2 Benelux Uitleveringsverdrag volgt onder meer dat de raadkamer beslist of de in beslag genomen voorwerpen geheel of gedeeltelijk aan de verzoekende partij worden overgedragen; zij kan de teruggave bevelen van voorwerpen die niet rechtstreeks betrekking hebben op de feiten die de verdachte worden ten laste gelegd en steunt daarvoor op de gegevens vermeld in de rogatoire commissie en de uitvoeringstukken ervan.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p254
Cass., 2° k. — 6 februari 2018 (AR P.17.0457.N), A.C., 2018/2, p. 256-261 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p256 Uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 204 en 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de grieven die de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier, zoals omschreven in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, opgeeft of aankruist de rechtsmacht van de appelrechter bepalen; de mogelijkheid om na de uiterste datum van het indienen van dit verzoekschrift of grievenformulier nog grieven op te werpen, werd door de wetgever verworpen waaruit volgt dat de appelrechter enkel door de partijen in hun verzoekschrift of grievenformulier opgeworpen grieven mag onderzoeken, waarbij hij, zo daartoe grond bestaat, binnen zijn saisine zoals die voortvloeit uit die grieven, de in artikel 210 Wetboek van Strafvordering bepaalde middelen van openbare orde opwerpt.

Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt zonder dat vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt; bij afwezigheid van grieven in de zin van deze bepaling is het hoger beroep niet ontvankelijk.

Een grief als bedoeld in artikel 1057, 7°, Gerechtelijk Wetboek is een bezwaar van de appellant tegen het beroepen vonnis, dat duidelijk en nauwkeurig moet worden geformuleerd in het verzoekschrift tot hoger beroep om de geïntimeerde toe te laten zijn verweer voor te bereiden en de rechter in staat te stellen de juiste draagwijdte van de grief na te gaan; bij afwezigheid van grieven in de zin van deze bepaling kan het verzoekschrift tot hoger beroep enkel nietig worden verklaard indien de geïntimeerde dit in limine litis vordert en hierbij belangenschade aantoont, waarbij de rechter rekening houdt met de concrete elementen en omstandigheden van de zaak en waarbij de appellant zijn hoger beroep bij conclusie kan uitbreiden tot andere beslissingen van de eerste rechter voor zover de beroepstermijn niet is verstreken en niet in deze beslissingen werd berust.

Het begrip “grief” en de gevolgen van het formuleren van al dan niet nauwkeurige grieven tegen het beroepen vonnis zijn verschillend in een strafproces en in een burgerlijk proces.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p256
Cass., 2e k. — 6 februari 2018 (AR P.17.0543.N), A.C., 2018/2, p. 261-264 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p261 Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt; het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering, waarbij de rechter bij die beoordeling het aankruisen van grieven die geen verband houden met het beroepen vonnis in aanmerking kan nemen.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p261
Cass., 2° k. — 6 februari 2018 (AR P.17.0577.N), A.C., 2018/2, p. 264-265 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p264 De essentie van het recht om zichzelf niet te beschuldigen, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, wordt niet miskend door artikel 67ter Wegverkeerswet dat de geregistreerde eigenaar van een voertuig op straffe van een strafsanctie verplicht bekend te maken wie er met dit voertuig reed op het ogenblik van de verkeersovertreding.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p264
Cass., 2° k. — 6 februari 2018 (AR P.17.0621.N), A.C., 2018/2, p. 265-267 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p265 Het recht van verdediging van de burgerlijke partij vereist niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling overgaat tot de identificatie van onbekende personen tegen wie de klacht met burgerlijke partijstelling is gedaan, wanneer zij beslist dat er tegen geen enkele persoon bezwaren voor het aangeklaagde misdrijf bestaan; of de burgerlijke partij daardoor al dan niet nog in de mogelijkheid is om de niet-geïdentificeerde personen rechtstreeks te dagvaarden voor de vonnisrechter, speelt geen rol.

Het feit dat de onderzoeksrechter of het openbaar ministerie niet is overgegaan tot de inverdenkingstelling van de onbekende personen waartegen de klacht met burgerlijke partijstelling werd gericht, belet de kamer van inbeschuldigingstelling niet te oordelen dat er geen reden is tot vervolging of tot ontslag van de onderzoeksrechter van zijn onderzoek omdat er geen bezwaren bestaan dat enige persoon het aangeklaagde misdrijf heeft gepleegd, zonder dat daarvoor een identificatie van de bedoelde personen vereist is.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p265
Cass., 2° k. — 6 februari 2018 (AR P.17.0560.N), A.C., 2018/2, p. 267-269 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p267 De appelrechters op verzet die een overschrijding van de redelijke termijn vaststellen, dienen een reële en meetbare vermindering toe te passen op de straf die zij zouden hebben opgelegd indien er geen overschrijding van de redelijke termijn was, waarbij deze vermindering wordt beoordeeld ten opzichte van de straf die de rechter zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben uitgesproken en niet ten opzichte van de veroordeling die de rechters bij verstek hebben opgelegd; de straf die de appelrechters op verzet willen opleggen als remediëring voor het overschrijden van de redelijke termijn kan evenwel, gelet op de relatieve werking van het verzet, nooit hoger zijn dan de straf die zij bij verstek hebben opgelegd.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p267
Cass., 2° k. — 7 februari 2018 (AR P.17.1275.F), A.C., 2018/2, p. 269-271 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p269 De rechter kan niet oordelen dat de op het terrein van de beklaagde aanwezige voertuigen en onderdelen geen afvalstoffen zijn in de zin van artikel 2 decreet Waalse Gewestraad van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, op grond dat ze een doel dan wel een bestemming hebben, zonder na te gaan of de beklaagde niet verplicht was zich daarvan te ontdoen. (Artt. 2, 1°, en 7, Decr.W. 27 juni 1996).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p269
Cass., 2° k. — 7 februari 2018 (P.18.0078.F), A.C., 2018/2, p. 271-274 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p271 Krachtens artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet onderzoekt het onderzoeksgerecht of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet, zonder zich te mogen uitspreken over hun gepastheid; het wettigheidstoezicht slaat op de formele geldigheid van de akte, met name of ze met redenen is omkleed en of ze in overeenstemming is met zowel de internationale rechtsnormen met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde als met de Vreemdelingenwet. (Art. 72, Vreemdelingenwet).

De vasthouding van een vreemdeling in een welbepaalde plaats, op grond van artikel 74/6, §1bis, 9° en 12°, Vreemdelingenwet, is niet enkel onderworpen is aan de in dat artikel bepaalde voorwaarden, maar dient ook het voorwerp uit te maken van een onderzoek van het criterium betreffende het dilatoir karakter van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 8, §3, d, Onthaalrichtlijn ; het onderzoeksgerecht dat oordeelt dat artikel 74/6, §1bis, 9°, Vreemdelingenwet de administratie niet verplicht het dilatoir karakter aan te tonen van de asielaanvraag die geleid heeft tot de maatregel tot vasthouding in een welbepaalde plaats, verzuimt het wettigheidstoezicht te verrichten dat bij artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet is bepaald. (Artt. 8.3, eerste lid, d, en 9.2, Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming; artt. 72, tweede lid, en 74/6, §1bis, 9° en 12°, Vreemdelingenwet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p271
Cass., 2° k. — 7 februari 2018 (AR P.18.0100.F), A.C., 2018/2, p. 274-279 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p274 Met toepassing van artikel 3 Huiszoekingswet, moet de toestemming bedoeld in artikel 1, tweede lid, 3°, van die wet, schriftelijk en voorafgaand aan de opsporing ten huize of de huiszoeking worden verleend. (Art. 3, Huiszoekingswet; art. 15, Grondwet; art. 8, EVRM).

Overeenkomstig de artikelen 32, 36 en 41 Wetboek van Strafvordering en artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet, kunnen de procureur des Konings en de officier van gerechtelijke politie een huiszoeking verrichten in geval van een op heterdaad ontdekte misdaad of wanbedrijf; die huiszoeking kan ongeacht het tijdstip zonder toestemming van de betrokkene en zonder huiszoekingsbevel worden verricht; de vaststelling van de toestand van heterdaad moet aan de opsporing ten huize voorafgaan en kan niet gerechtvaardigd worden door de vaststelling a posteriori van het op heterdaad ontdekte misdrijf. (Artt. 32, 36 en 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; art. 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet).

Er is geen sprake van heterdaad wanneer men zich enkel grondt op vermoedens en aanwijzingen dat er een misdrijf kon zijn gepleegd. (Artt. 32, 36 en 41, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; art. 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet).

De huiszoeking op grond van artikel 6bis Drugswet vereist dat er vooraf ernstige en objectieve aanwijzingen van schuld bestaan betreffende het onwettig bezit van verdovende middelen; niettegenstaande de omstandigheid dat de rechter onaantastbaar de feiten vaststelt waaruit hij het bestaan van dergelijke aanwijzingen afleidt, staat het aan het Hof om na te gaan of hij uit zijn vaststellingen dat gevolg naar recht heeft kunnen afleiden en of hij zijn beslissing dienaangaande regelmatig met redenen heeft omkleed. (Art. 6bis, Drugswet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p274
Cass., 2° k. — 7 februari 2018 (AR P.18.0116.F), A.C., 2018/2, p. 279-281 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p279 Aangezien het cassatieberoep tegen een arrest dat op grond van de artikelen 72 e.v. Vreemdelingenwet uitspraak doet, door het Hof onverwijld wordt onderzocht, hoeft de raadsman van de eiser niet op een brief van de griffie te wachten om te weten dat de zaak spoedig zou worden vastgesteld ; wanneer hij geen enkel ander element aanvoert dat erop wijst dat de overmacht wegens het niet-neerleggen van de memorie tot drie werkdagen vóór de rechtszitting heeft voortgeduurd, is de memorie laattijdig die op die datum op de griffie werd neergelegd. (Artt. 429, eerste lid, en 432, Wetboek van Strafvordering).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p279
Cass., 1° k. — 8 februari 2018 (AR C.15.0458.N), A.C., 2018/2, p. 282-285 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p282 Elke benadeelde kan van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding verkrijgen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat. (Art. 19bis-11, § 1, 3°, WAM 1989).

Het toevallig feit moet worden beoordeeld aan de zijde van de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt. (Art. 19bis-11, § 1, 3°, WAM 1989).

Op de door het Hof van Cassatie aan het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vraag of artikel 19bis-13, § 3, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, indien het in die zin geïnterpreteerd wordt dat, naast de primaire schadelijder van een ongeval veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, ook de secundaire schadelijder de mogelijkheid ontzegd kan worden vergoeding voor materiële schade van het gemeenschappelijk waarborgfonds te verkrijgen, aangezien dergelijke interpretatie immers een ongelijkheid creëert in hoofde van de groep van secundaire schadelijders, omdat slachtoffers van een schadegeval dat veroorzaakt wordt door een bestuurder die geconfronteerd wordt met een toevallig feit dat tegelijkertijd een niet-geïdentificeerd voertuig is, enkel recht hebben op vergoeding van de lichamelijke schade, terwijl de slachtoffers van een schadegeval dat veroorzaakt wordt door een bestuurder die geconfronteerd wordt met een zuiver toevallig feit recht hebben op integrale vergoeding van zowel lichamelijke als materiële schade, heeft het Grondwettelijk Hof bij arrest van 6 juli 2017 voor recht gezegd dat artikel 19bis-13, § 3, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. (Artt. 10 en 11 Grondwet; art. 19bis-13, § 3, WAM 1989).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p282
Cass., 1° k. — 8 februari 2018 (AR C.15.0537.N), A.C., 2018/2, p. 285-298 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p285 Noch artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, noch het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdediging houden een absoluut recht op bijstand van een advocaat van zijn keuze in. (Artt. 6.1 en 6.3.c EVRM; algemeen rechtsbeginsel recht van verdediging).

Het recht op vrije keuze van een advocaat is, onverminderd het belang van het vertrouwen in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt, noodzakelijk onderworpen aan bepaalde beperkingen in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand; het recht om in dit kader verdedigd te worden door een raadsman van zijn keuze kan worden onderworpen aan beperkingen wanneer relevante en voldoende gronden deze beperkingen in het belang van een behoorlijke rechtspleging noodzakelijk maken. (Artt. 6.1 en 6.3.c EVRM; algemeen rechtsbeginsel recht van verdediging).

Artikel 23 Grondwet bevat, inzake aangelegenheden waarop het betrekking heeft, een standstill-verplichting; dat houdt in dat deze bepaling de bevoegde overheid verplicht de voordelen van de van kracht zijnde normen, in dit geval inzake het recht op juridische bijstand, te handhaven door het verbod in te stellen tegen de nagestreefde doelstellingen in te gaan; die verplichting kan echter niet zo worden begrepen dat ze de bevoegde overheid, in het raam van haar bevoegdheden, de verplichting oplegt om, niet te raken aan de modaliteiten van de juridische bijstand; zij verbiedt de bevoegde overheid om zonder dat daartoe redenen van algemeen belang voorhanden zijn, maatregelen te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van het in artikel 23, eerste lid en derde lid, 2°, Grondwet gewaarborgde recht, maar zij ontzegt haar niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze wordt gewaarborgd. (Art. 23 Grondwet).

De regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet die vervat is in artikel 10 Grondwet en die van de niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden die vervat is in artikel 11 Grondwet, impliceren dat eenieder die in dezelfde toestand verkeert op dezelfde wijze wordt behandeld maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van het doel en de gevolgen van de maatregel; het gelijkheidsbeginsel wordt miskend indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. (Artt. 10 en 11 Grondwet).

Niet elk besluit van een ondernemingsvereniging die de handelingsvrijheid op de relevante markt beperkt valt onder het verbod van artikel IV.1, § 1, Wetboek van Economisch Recht. (Art. IV.1, § 1, Wetboek van economisch recht).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p285
Cass., 1° k. — 8 februari 2018 (AR C.15.0538.N), A.C., 2018/2, p. 298-310 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p298 Noch artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, noch artikel 14.3, b) en d) IVBPR houden een absoluut recht op bijstand van een advocaat van zijn keuze in. (Artt. 6.1 en 6.3.c EVRM; art. 14.3, b) en d) IVBPR).

Het recht op vrije keuze van een advocaat is, onverminderd het belang van het vertrouwen in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt, noodzakelijk onderworpen aan bepaalde beperkingen in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand; het recht om dit kader verdedigd te worden door een raadsman van zijn keuze kan worden onderworpen aan beperkingen wanneer relevante en voldoende gronden deze beperkingen in het belang van een behoorlijke rechtspleging noodzakelijk maken. (Artt. 6.1 en 6.3.c EVRM; art. 14.3, b) en d) IVBPR).

De regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet die vervat is in artikel 10 Grondwet en die van de niet-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden die vervat is in artikel 11 Grondwet, impliceren dat eenieder die in dezelfde toestand verkeert op dezelfde wijze wordt behandeld maar sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van het doel en de gevolgen van de maatregel; het gelijkheidsbeginsel wordt miskend indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. (Artt. 10 en 11 Grondwet).

Bij elke balie stelt de raad van de Orde van Advocaten een bureau voor juridische bijstand in volgens de nadere regels en voorwaarden die hij bepaalt; deze bepaling machtigt aldus de raad regels inzake de samenstelling en de vertegenwoordiging van het bureau voor juridische bijstand te bepalen. (Art. 508/7 Gerechtelijk Wetboek).

De enkele omstandigheid dat de BJB-voorzitter betrokken is bij de initiële aanstelling van de op te volgen advocaat, houdt niet in dat deze niet met de vereiste onpartijdigheid zou kunnen beslissen over de door de rechtzoekende aangevoerde “vertrouwensbreuk” of “andere ernstige reden tot opvolging”, om alsnog tot ontheffing over te gaan.

De arbeidsrechtbank neemt kennis van de gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen de beslissingen van het bureau voor juridische bijstand. (Art. 580, eerste lid, 18°, Gerechtelijk Wetboek).

Een onrechtmatig beding is elk beding of elke voorwaarde in een overeenkomst tussen een beoefenaar van een vrij beroep en een consument die, alleen of in samenhang met een of meer andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument. (Art. I.8, 20°, Wetboek economisch recht).

Bedingen die onrechtmatig zijn in de overeenkomsten gesloten tussen een beroepsbeoefenaar van een vrij beroep en een consument zijn verboden en nietig. (Artt. XIV.50 en XIV.51, § 1, eerste lid, Wetboek economisch recht).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p298
Cass., 1° k. — 8 februari 2018 (AR C.16.0523.N), A.C., 2018/2, p. 310-316 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p310 Wanneer de betekening van de goedkeuring van de offerte aan de begunstigde per telefax of via andere elektronische middelen gebeurt, maakt de bevestiging binnen de vijf dagen per aangetekende brief een geldigheidsvoorwaarde van de betekening uit. (Art. 117 KB Overheidsopdrachten en KB 10 februari 2010).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p310
Cass., 1° k. — 8 februari 2018 (AR C.17.0255.N), A.C., 2018/2, p. 317-319 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p317 Een overeenkomst van onbepaalde duur kan steeds eenzijdig worden opgezegd mits inachtneming van een redelijke termijn en dergelijke opzegging is in beginsel onherroepelijk. (Art. 1134 Burgerlijk Wetboek).

Krachtens het beginsel van de wilsautonomie kunnen partijen in onderlinge overeenstemming beslissen om de door een van hen gedane opzegging van een overeenkomst voor onbepaalde duur als niet bestaande te beschouwen ; hiervan wordt niet afgeweken door de artikelen 2 en 3 van de Alleenverkoopwet. (Art. 1134 Burgerlijk Wetboek; artt. 2 en 3 Alleenverkoopwet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p317
Cass., 1° k. — 9 februari 2018 (AR F.15.0101.F), A.C., 2018/2, p. 319-322 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p319 Uit de samenhang van de artikelen 45, §1, 47, 75 en 76, §1, Btw-wetboek, en artikel 81, §§1 en 4, van het koninklijk besluit nr. 4 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde volgt dat de belastingplichtige die kwartaalaangiften moet indienen, kan kiezen voor de teruggave van het overschot dat in zijn voordeel verschijnt op de datum waarop hij zijn laatste kwartaalaangifte van het afgelopen jaar heeft ingediend, dat het overschot allesbehalve automatisch naar het eerste kwartaal van het volgende jaar wordt overgebracht, maar dat zulks enkel geschiedt indien de belastingplichtige in zijn aangifte niet voor die teruggave heeft gekozen en dat een dergelijke keuze, die betrekking moet hebben op het volledige overschot, onherroepelijk is. (Artt. 45, § 1, 47, 75 en 76, § 1, Btw-wetboek; art. 81, §§ 1 en 4, KB nr. 4).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p319
Cass., 1° k. — 9 februari 2018 (AR F.15.0141.F), A.C., 2018/2, p. 322-324 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p322 Uit de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, alsook artikel 366 WIB92 volgt niet dat, inzake inkomstenbelastingen, de inkohiering van een aanslag of het bestaan van een administratieve akte die leidt tot de definitieve inning van een belasting op een andere wijze dan per kohier een aan elk bezwaar voorafgaande noodzakelijke voorwaarde zou zijn. (Artt. 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek; art. 366 WIB92).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p322
Cass., 1° k. — 9 februari 2018 (AR F.17.0083.F), A.C., 2018/2, p. 324-326 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p324 De afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek door artikel 93 Btw-wetboek, dat bepaalt dat het verzoekschrift houdende het cassatieberoep door een advocaat mag worden ondertekend, is enkel van toepassing op het cassatieberoep tegen een beslissing over de in hoofdstuk XIV van dat wetboek bedoelde vervolgingen en gedingen die worden ingeleid door de administratie of door de belastingschuldige om de betaling of de teruggave van de belasting, interest, fiscale geldboeten en toebehoren te verkrijgen; voor de toepassing ervan is vereist dat die vervolgingen en gedingen zijn ingeleid in de vorm van een gedinginleidende vordering en niet van een tussenvordering of van een vordering tot tussenkomst. (Art. 1080 Gerechtelijk Wetboek; art. 93 Btw-wetboek).

De afwijking van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek, bepaald in de strikt uit te leggen bepaling van artikel 93 Btw-wetboek, is niet van toepassing op het cassatieberoep tegen het arrest dat uitspraak doet over een geschil waarin, enerzijds, de eiser tegen de verweerster een vordering heeft ingesteld tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde, die strekte tot terugbetaling van de belasting over de toegevoegde waarde die de verweerster de eiser, volgens hem onterecht, had gefactureerd op de kostprijs van een opleiding die zij hem had verstrekt en, anderzijds, de verweerster de verweerder tot tussenkomst had opgeroepen teneinde haar te vrijwaren indien de hoofdvordering gegrond werd verklaard. (Art. 1080 Gerechtelijk Wetboek; art. 93 Btw-wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p324
Cass., 3° k. — 12 februari 2018 (AR S.15.0063.N), A.C., 2018/2, p. 326-329 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p326 Artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek heeft niet de strekking dat een partij die nalaat binnen de aldus bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor het recht verbeurt om binnen de voor haar bepaalde daaropvolgende termijn een conclusie te nemen; de rechter mag evenwel op vordering van een wederpartij een deloyale proceshouding sanctioneren en op die grond een conclusie uit het debat weren; de partij die verzuimt een conclusie te nemen verliest slechts het recht om in een daaropvolgende conclusieronde nog een conclusie neer te leggen, wanneer zij van die mogelijkheid gebruik maakt om haar tegenstrever te verrassen door een houding aan te nemen die het recht van verdediging van laatstgenoemde miskent.

Krachtens artikel 767, § 3, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, kunnen de replieken van de partijen op het advies van het openbaar ministerie alleen in aanmerking worden genomen in zoverre ze antwoorden op het advies van het openbaar ministerie; het voor het eerst aanvoeren van een miskenning van het recht van verdediging ten gevolge van de in de tweede conclusieronde neergelegde conclusie in de repliekconclusie op het advies van het openbaar ministerie waarin dit stelt dat de bewuste conclusie niet buiten het beraad moet worden gehouden aangezien de uiterste datum om een conclusie neer te leggen niet verstreken was, maakt geen repliek uit op dit advies maar komt neer op een hervatting van het debat na het sluiten ervan door de rechter; dit specifieke verweer dient door de appelrechters dan ook niet in aanmerking te worden genomen noch door hen te worden beantwoord.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p326
Cass., 3° k. — 12 februari 2018 (AR S.17.0047.N), A.C., 2018/2, p. 329-333 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p329 Uit artikel 1675/2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek en de wetsgeschiedenis van de wijziging van voormeld artikel bij de wet van 14 januari 2013 volgt dat de wachttermijn van vijf jaar om een nieuw verzoek in te dienen die ingeval van herroeping wordt opgelegd aan de schuldenaar zowel van toepassing is op een herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid als op de herroeping van de aanzuiveringsregeling.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p329
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.0445.N), A.C., 2018/2, p. 333-336 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p333 De door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot mag geen ander middel inhouden dan de middelen die eerder zijn aangevoerd in een regelmatig neergelegde memorie.

Het Hof onderzoekt ambtshalve de verjaring van de strafvordering en dat ambtshalve onderzoek bestaat onafhankelijk van de mondelinge conclusie van het openbaar ministerie ter rechtszitting van het Hof; het is een gegeven waarmee de eiser in cassatie dient rekening te houden bij het aanvoeren van zijn middelen in een overeenkomstig artikel 429 Wetboek van Strafvordering ingediende memorie waarbij hij desgevallend in zijn memorie middelen kan aanvoeren voor het geval zijn in hoofdorde aangevoerde middelen worden verworpen waardoor zijn recht van verdediging en zijn door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces afdoende gegarandeerd is.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p333
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.1023.N), A.C., 2018/2, p. 336-343 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p336 Noch uit artikel 6 EVRM, waarvan de naleving moet worden beoordeeld rekening houdend met het strafproces in zijn geheel, noch uit enig andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat het openbaar ministerie bij het Hof schriftelijk dient te concluderen of een geschreven neerslag of de schriftelijke voorbereiding van zijn mondelinge conclusie aan de partijen moet overleggen.

Uit de tekst en het opzet van artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, dat ertoe strekt de onafhankelijkheid te waarborgen van een rechtspersoon, blijkt dat enkel de lasthebber ad hoc ertoe gemachtigd is om de rechtspersoon bij de strafvordering te vertegenwoordigen; om regelmatig te zijn moet het tegen een rechtspersoon gerichte cassatieberoep voor wie een lasthebber ad hoc is aangesteld, dan ook aan die lasthebber ad hoc worden betekend.

Een door een tolk afgelegde eed is regelmatig, ook als die eed niet letterlijk wordt afgelegd in de door artikel 27 Wet Register Deskundigen en Tolken voorgeschreven bewoordingen, voor zover de afgelegde eed eenzelfde betekenis heeft als de voorgeschreven eed en aan de tolk dezelfde verplichtingen oplegt.

De omstandigheid dat de appelrechters, net als de eerste rechter, aan de begrippen die het toepassingsgebied van een strafbepaling bepalen een onjuiste invulling zouden geven, zonder dat een burgerlijke partij die cassatieberoep aantekent tegen een arrest van buitenvervolgingstelling, dit heeft opgeworpen voor de appelrechters, belet die burgerlijke partij niet die onwettigheid aan te voeren voor het Hof.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p336
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.0610.N), A.C., 2018/2, p. 343-345 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p343 Het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van “een beschuldiging”, dit is vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen “de beschuldiging” ; indien een strafvervolging tegen een beklaagde meerdere gedurende een zekere tijdsperiode gepleegde misdrijven tot voorwerp heeft, waarvan de rechter aanneemt dat ze werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet, vangt de redelijke termijn aan op het ogenblik waarop de beklaagde voor één of meerdere van die misdrijven wordt “beschuldigd”. (Art. 6.1 EVRM en art. 65 Strafwetboek).

Artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verzet zich ertegen dat bij voortgezette misdrijven de redelijke termijn voor het geheel van de vervolgde misdrijven slechts een aanvang neemt op het tijdstip waarop het laatste misdrijf wordt gepleegd of beëindigd. (Art. 6.1 EVRM en art. 65 Strafwetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p343
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.0612.N), A.C., 2018/2, p. 345-349 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p345 Er is slechts tegenstrijdigheid in de motivering wanneer de redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing onderling tegenstrijdig zijn. (Art. 149 Grondwet).

Uit het gegeven dat een rechter een deskundige om advies heeft verzocht over de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van een beklaagde om een motorvoertuig te besturen in de zin van artikel 42 Wegverkeerswet en over de waarschijnlijke duur van die ongeschiktheid, volgt niet dat de rechter, indien de deskundige geen advies heeft verleend over de waarschijnlijke duur van de volgens hem bestaande ongeschiktheid, altijd ertoe gehouden is opnieuw een deskundige aan te stellen met het oog op het bepalen van die waarschijnlijke duur; het staat aan de rechter, die onaantastbaar oordeelt over het blijvend karakter van de ongeschiktheid, om te beslissen of in het licht van de beschikbare gegevens en door de partijen overgelegde stukken een dergelijke nieuwe aanstelling noodzakelijk is; dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM of een miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging. (Art. 6 EVRM en Art. 42 Wegverkeerswet).

De rechter die vaststelt dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor het bevelen van de door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde veiligheidsmaatregel van het verval een motorvoertuig te besturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, dient deze beslissing niet nader te motiveren. (Art. 149 Grondwet en Art. 42 Wegverkeerswet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p345
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.0737.N), A.C., 2018/2, p. 350-352 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p350 Artikel 961/2 Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p350
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.0780.N), A.C., 2018/2, p. 352-354 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p352 .Wanneer het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen alle strafrechtelijke beschikkingen van een vonnis en vervolgens in het grievenformulier aanduidt dat zijn grieven tegen het beroepen vonnis slaan op de beschikkingen over de schuldigverklaring en de strafmaat, geeft het te kennen dat het de hervorming vraagt van alle beschikkingen van dat vonnis die uitspraak doen over de schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten en over de hem opgelegde straf; die grieven slaan dan zowel op de beschikkingen van vrijspraak als op deze van schuldigverklaring. (Artt. 202, 203 en 204 Wetboek van Strafvordering)

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p352
Cass., 2° k. — 13 februari 2018 (AR P.17.1055.N), A.C., 2018/2, p. 354-357 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p354 Artikel 417, derde lid, Strafwetboek voert geen onweerlegbaar vermoeden van ogenblikkelijke noodzaak van verdediging in, maar wel een vermoeden dat door de vervolgende partij kan worden weerlegd en sluit niet uit dat de rechter, die vaststelt dat het feit plaatsheeft bij het zich verdedigen tegen de daders van een met geweld tegen personen gepleegde diefstal of plundering, onderzoekt of de verdediging wel evenredig is met het gebruikte geweld. (Art. 417, derde lid, Strafwetboek).

Onder gewelddaden als bedoeld in artikel 411 Strafwetboek wordt verstaan zwaar fysiek of moreel geweld dat in de regel uitgaat van het slachtoffer van het verschoonbare misdrijf en dat zodanig is dat het de vrije wil van een normaal en redelijk persoon aantast; de ernst van het uitgelokte misdrijf moet proportioneel zijn met de ernst van het geweld. (Art. 411 Strafwetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p354
Cass., 1° k. — 16 februari 2018 (AR C.16.0344.F), A.C., 2018/2, p. 357-359 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p357 De werkgever uit de overheidssector die, door de fout van een derde, krachtens zijn wettelijke of reglementaire verplichtingen aan zijn personeelslid loon en de lasten op dat loon moet blijven betalen, zonder als tegenprestatie arbeidsprestaties te ontvangen, heeft recht op een vergoeding voor de aldus geleden schade, voor zover uit de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen volgt dat de voormelde uitgaven waartoe hij gehouden is, niet definitief voor zijn rekening moeten blijven. (Artt. 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek).

De invaliditeitsuitkering waarop de ambtenaar van de Europese Gemeenschappen recht heeft wanneer hij blijvend invalide wordt en die invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen, vormt niet de tegenprestatie voor de arbeidsprestaties die de eiseres zou hebben ontvangen indien het ongeval zich niet had voorgedaan en die uitkering is, bijgevolg, geen schade die vergoed kan worden. (Artt. 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p357
Cass., 1° k. — 16 februari 2018 (AR C.17.0254.F), A.C., 2018/2, p. 359-364 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p359 Uit artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet, een dwingende bepaling ten voordele van de verhuurder, blijkt dat de aanvraag tot huurhernieuwing, op straffe van nietigheid, de vermelding moet bevatten dat de verhuurder geacht zal worden met de hernieuwing van de huur onder de voorgestelde voorwaarden in te stemmen, indien hij niet binnen drie maanden bij deurwaardersexploot of bij aangetekende brief kennis geeft ofwel van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden ofwel van het aanbod van een derde. (Art. 14, eerste lid, Handelshuurwet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p359
Cass., 1° k. — 16 februari 2018 (AR C.17.0328.F), A.C., 2018/2, p. 365-367 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p365 Om te beoordelen of een vordering virtueel begrepen is in de oorspronkelijke vordering, moet het voorwerp van die vorderingen onderzocht worden. (Art. 2244 Burgerlijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p365
Cass., 3° k. — 19 februari 2018 (AR C.17.0273.F), A.C., 2018/2, p. 367-369 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p367 Artikel 501, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek vereist niet dat de beschermde of de te beschermen persoon de wens die hij heeft kenbaar gemaakt inzake de aanwijzing van een vertrouwenspersoon, voor de rechter dient te bevestigen.

Uit de samenhang van het eerste, negende en tiende lid van artikel 501 Burgerlijk Wetboek volgt niet dat de te beschermen of beschermde persoon niet meerdere vertrouwenspersonen in eigen naam zou mogen aanwijzen om hem bij te staan.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p367
Cass., 3° k. — 19 februari 2018 (AR S.17.0052.F), A.C., 2018/2, p. 369-371 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p369 Krachtens artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis in zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald; het begrip ‘eindvonnis’ impliceert dat de kwestie waarop de beslissing betrekking heeft, het voorwerp van het debat heeft uitgemaakt. (Artt. 19, eerste lid, en 1050, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p369
Cass., 3° k. — 19 februari 2018 (AR C.17.0066.F), A.C., 2018/2, p. 371-374 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p371 Uit artikel 169, vijfde lid, koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering volgt dat de terugvordering van de uitkeringen kan worden beperkt tot het bruto bedrag van de inkomsten uit de activiteit van de werkloze, ongeacht het een activiteit in loondienst betreft of een zelfstandige activiteit. (Art. 169, eerste en vijfde lid, Werkloosheidsbesluit).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p371
Cass., 2° k. — 20 februari 2018 (AR P.16.1133.N), A.C., 2018/2, p. 374-391 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p374 De bepalingen van de artikelen 76, § 2, tweede lid, 78, eerste lid, 78, vijfde lid, 91, eerste lid, en 92, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, houden in dat in alle zaken, ook voor de overtredingen van wetten en verordeningen over een der aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en, in geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, het hoger beroep tegen vonnissen van de politierechtbank toegewezen wordt aan een kamer met drie rechters, zonder dat één van hen de gespecialiseerde vorming hoeft te ontvangen bedoeld in artikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Daar waar niet is vereist dat in de kamer van de rechtbank van eerste aanleg die bestaat uit drie rechters en die kennis neemt van het hoger beroep tegen een beslissing van de politierechtbank die uitspraak doet over een overtreding zoals bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, er ten minste één gespecialiseerde rechter moet zijn zoals bedoeld in artikel 78, vijfde lid, van dit wetboek, terwijl de alleenrechtsprekende rechter die in eerste aanleg kennis neemt van dergelijke overtreding, steeds de gespecialiseerde vorming zoals bedoeld in artikel 78, vijfde lid, moet ontvangen en daarenboven artikel 101, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gespecialiseerde correctionele kamer van het hof van beroep die overeenkomstig de in paragraaf 1, tweede lid, van hetzelfde artikel kennis neemt van de aangelegenheden bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, samengesteld is uit twee raadsheren in het hof van beroep en één raadsheer in het arbeidshof, rijst de vraag of dit onderscheid in behandeling wel bestaanbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en is er grond om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p374
Cass., 2° k. — 20 februari 2018 (AR P.17.0314.N), A.C., 2018/2, p. 391-403 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p391 Uit de samenhang van de bepalingen van de artikelen 76, zesde lid, zoals toepasselijk tot 31 augustus 2014 en artikel 76, § 2, tweede lid,, zoals toepasselijk vanaf 1 september 2014, artikel 78, vijfde lid, zoals toepasselijk tot 31 december 2015 en artikel 92, § 1, Gerechtelijk Wetboek, en de artikelen 56, 3°, 84, 1° en 91, tweede lid van de wet van 19 oktober 2015, houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, volgt dat, met ingang van 1 januari 2016, indien in de zaak in dezelfde aanleg op 1 januari 2016 reeds een andere rechtszitting dan de inleidingszitting heeft plaatsgevonden, de kamer van de rechtbank van eerste aanleg die in hoger beroep kennis neemt van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, bestaat uit twee rechters van de correctionele rechtbank en één rechter in de arbeidsrechtbank.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p391
Cass., 2° k. — 20 februari 2018 (AR P.17.0882.N), A.C., 2018/2, p. 404-408 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p404 Uit geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling volgt dat gebodsborden op de openbare weg zelf moeten geplaatst worden om bindende kracht te hebben; het is krachtens artikel 69.1 Wegverkeersreglement enkel vereist dat dergelijke borden worden aangebracht op de plaats waar zij het best zichtbaar zijn en dat kan aan de gevel van een gebouw zijn.

Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 7 Handvest, artikel 8 EVRM en artikel 22 Grondwet of met het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals gewaarborgd door artikel 8 Handvest, heeft niet steeds schending van artikel 6 EVRM of miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg.

Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement enkel wordt besloten indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces; krachtens die bepaling worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de andere erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd en deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht dat de bescherming van het privéleven beoogt.

Het feit dat de rechter het onregelmatig verkregen bewijs toetst aan de voorwaarden van artikel 32 Wetboek van Strafvordering, houdt een effectief rechtsherstel in zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, Handvest en artikel 13 EVRM.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p404
Cass., 2e ch. — 20 février 2018 (RG P.18.0107.N)Cass., 2° k. — 20 februari 2018 (AR P.18.0107.N), A.C., 2018/2, p. 408-410 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p408 L’obligation de coopération loyale imposée par l’article 4.3 du Traité sur l’Union européenne aux États membres de l’Union européenne concerne uniquement la mise en œuvre du droit de l’Union.

De in artikel 4.3 VEU aan de lidstaten van de Europese Unie opgelegde verplichting tot loyale samenwerking heeft alleen betrekking op de uitvoering van het Unierecht.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p408
Cass., 2° k. — 21 februari 2018 (AR P.16.1199.F), A.C., 2018/2, p. 410-413 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p410 Het moreel bestanddeel van de overtreding bedoeld in artikel 226, eerste lid, 1°, c, Sociaal Strafwetboek, met andere woorden de door de wet bestrafte fout, bestaat in het niet-nakomen van de verplichting om juiste en volledige verklaringen af te leggen; het bewijs van dat bestanddeel kan in beginsel worden afgeleid uit de loutere vaststelling dat de verklaringen van de werkgever onjuist en onvolledig zijn, wanneer laatstgenoemde onvoldoende aannemelijk maakt dat hij wegens een rechtvaardigingsgrond zoals onwetendheid of onoverkomelijke dwaling, onvermijdelijk dergelijke verklaringen heeft afgelegd. (Art. 226, eerste lid, 1°, c, Sociaal Strafwetboek).

De werkgever is niet schuldig aan de in artikel 226, eerste lid, 1°, c, Sociaal Strafwetboek bedoelde overtreding als hij aannemelijk maakt dat iedere redelijke en voorzichtige werkgever die in dezelfde feitelijke en juridische toestand verkeert, eveneens onjuiste en onvolledige verklaringen zou hebben afgelegd. (Art. 226, eerste lid, 1°, c, Sociaal Strafwetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p410
Cass., 2° k. — 21 februari 2018 (RG P.17.1130.F), A.C., 2018/2, p. 413-415 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p413 Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; uit die bepaling volgt niet dat de beklaagde, wanneer de dagvaarding aan de woonplaats wordt betekend, zijn afwezigheid enkel nog door overmacht of door een wettige reden van verschoning kan rechtvaardigen. (Art. 187, §6, 1°, Wetboek van Strafvordering).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p413
Cass., 2° k. — 21 februari 2018 (AR P.17.1164.F), A.C., 2018/2, p. 415-418 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p415 Door ten gunste van de dader van een misdaad verzachtende omstandigheden vast te stellen, verbindt de rechter zich ertoe om de bij wet op die misdaad gestelde straf te verminderen of te wijzigen; overeenkomstig de artikelen 79 en 80, vierde lid, Strafwetboek worden de feiten van foltering, die luidens de artikelen 417bis, 1°, en 417ter, eerste lid, Strafwetboek worden gestraft met opsluiting van tien tot vijftien jaar, in geval van aanneming van verzachtende omstandigheden, met ten hoogste tien jaar opsluiting gestraft. (Artt. 79 en 80, Strafwetboek).

Met toepassing van artikel 62 Strafwetboek wordt bij samenloop van verschillende misdaden enkel de zwaarste straf uitgesproken en kan die straf, indien ze in tijdelijke opsluiting bestaat, zelfs tot vijf jaar boven de maximumstraf worden verhoogd; als de rechter beslist om de straf overeenkomstig artikel 62 Strafwetboek te verzwaren dient hij zijn keuze voor die facultatieve straf bijzonder met redenen te omkleden. (Art. 62, Strafwetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p415
Cass., 2° k. — 21 februari 2018 (AR P.18.0122.F), A.C., 2018/2, p. 418-420 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p418 De procureur-generaal bij het hof van beroep heeft de hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen de beslissingen inzake rechtsbijstand en zulks uitsluitend wegens overtreding van de wet. (Artt. 688 en 690, Gerechtelijk Wetboek).

Uit het tweede en derde lid van artikel 667 Gerechtelijk Wetboek volgt dat, zodra de juridische tweedelijnsbijstand werd verleend, de rechter bij wie een verzoek tot rechtsbijstand aanhangig is gemaakt, het bewijs van de voorwaarde voor ontoereikende bestaansmiddelen van de verzoeker niet opnieuw hoeft te onderzoeken en enkel daartoe mag overgaan als de beslissing van het bureau voor juridische bijstand meer dan een jaar oud is. (Art. 667, Gerechtelijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p418
Cass., 1° k. — 22 februari 2018 (AR C.13.0095.N), A.C., 2018/2, p. 420-424 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p420 Uit artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie en de wetsgeschiedenis volgt dat het recht van terugkoop dat kan worden uitgeoefend ingeval de koper niet voldoet aan de voorwaarden inzake de economische bestemming van de gronden en de gebruiksmodaliteiten ervan, de belangrijkste financiële inspanningen wil vrijwaren die de Staat heeft moeten doen voor de aankoop, de aanleg of de uitrusting van deze gronden. (Art. 32, § 1, Wet Economische Expansie).

De termijn van vijf jaren tot welke artikel 1660 Burgerlijk Wetboek het in artikel 1659 Burgerlijk Wetboek bedoelde recht van wederinkoop beperkt, is niet van toepassing op het recht van terugkoop bepaald in artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie nu een dergelijke beperking onverenigbaar is met het oogmerk om aan die gronden een blijvende economische bestemming te geven. (Art. 32, § 1 Wet Economische Expansie).

Artikel 76 van het decreet van 19 december 2003 strekt er net zoals artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie toe het gebruik of het verwerven van gronden afhankelijk te maken van de bestendiging van de economische activiteit die erop wordt uitgeoefend en voorziet daartoe onder meer in een eigen verplichte regeling van terugkoop die geenszins gelijkstaat met de privaatrechtelijke bepalingen in het Burgerlijk Wetboek over het recht van wederinkoop, zodat de termijn van vijf jaren tot dewelke artikel 1660 Burgerlijk Wetboek het recht van wederinkoop, bedoeld in artikel 1659 Burgerlijk Wetboek beperkt, ook onder de gelding van het decreet van 19 december 2003 niet van toepassing is op het in artikel 76 van dat decreet bedoelde terugkooprecht. (Art. 76 van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 dat met ingang van 1 januari 2004 artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie verving).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p420
Cass., 1° k. — 22 februari 2018 (AR C.16.0357.N-C.16.0358.N-C.16.0359.N), A.C., 2018/2, p. 424-429 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p424 De beslissing waarbij de vrederechter de vordering op grond van artikel 43, § 1, Ruilverkavelingswet onontvankelijk verklaart omdat zij niet op de door de wet bepaalde wijze werd ingesteld, namelijk bij dagvaardingsexploot in plaats van bij verzoekschrift, is geen bevelschrift in de zin van artikel 23, vierde lid, Ruilverkavelingswet.

Uit de samenhang van de artikelen 23, twaalfde lid en 43, § 1, eerste en vijfde lid Ruilverkavelingswet moet worden afgeleid dat er geen cassatieberoep openstaat tegen een beslissing van de vrederechter gewezen in toepassing van artikel 43, § 1, Ruilverkavelingswet.

Er bestaat grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen nu de vraag rijst of er in het geval van de uitzonderingsregel van artikel 23, twaalfde lid, Ruilverkavelingswet die de belanghebbende van een cassatieberoep uitsluit tegen een beslissing van de vrederechter waartegen geen hoger beroep openstaat, anders dan het gemeen recht dat in beginsel wel een cassatieberoep toelaat tegen beslissingen in eerste en laatste aanleg, een voldoende redelijke verantwoording bestaat voor dit onderscheid en voor de beperking van het recht voor de belanghebbenden om toegang te hebben tot het cassatieberoep en dus tot een buitengewoon rechtsmiddel tegen een beslissing waarin de vrederechter hun vorderingen niet ontvankelijk verklaart omdat deze niet op de door de wet bepaalde wijze waren ingesteld. (Artt. 23, twaalfde lid, en 43, § 1, eerste en vijfde lid Ruilverkavelingswet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p424
Cass., 1° k. — 22 februari 2018 (AR C.17.0302.N), A.C., 2018/2, p. 430-435 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p430 Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de leer van het schijnmandaat en van de goede trouw. (Art. 1998 Burgerlijk Wetboek).

Een persoon kan gebonden zijn door de rechtshandeling gesteld door een onbevoegde vertegenwoordiger indien de schijn van een toereikende bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen, waarbij de schijn hem toerekenbaar is indien de onbevoegd vertegenwoordigde uit vrije wil door zijn verklaring of zijn gedraging, die niet hoeft onrechtmatig te zijn, ertoe heeft bijgedragen de schijn te wekken of in stand te houden. (Art. 1998 Burgerlijk Wetboek).

Artikel 4, §§ 1 en 2, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst staat er niet aan in de weg dat het gebruik van een verzekeringsvoorstel dat de verzekeringsmakelaar door de kandidaat-verzekeringsnemer laat invullen, de schijn kan doen ontstaan dat de makelaar de verzekeraar vertegenwoordigt. (Art. 4, §§ 1 en 2, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst; art. 1998 Burgerlijk Wetboek).

Artikel 1, 6° van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsen herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen volgens dewelke de verzekeringsmakelaar niet gebonden is aan een welbepaalde verzekeraar, staat niet eraan in de weg dat hij de schijn kan doen ontstaan dat hij een verzekeraar vertegenwoordigt. (Art. 1, 6° van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen; artikel 1998 Burgerlijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p430
Cass., 1° k. — 22 februari 2018 (AR C.17.0313.N), A.C., 2018/2, p. 435-437 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p435 De bewaarder van een zaak in de zin van artikel 1384, eerste lid Burgerlijk wetboek, is degene die voor eigen rekening ervan gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met de mogelijkheid er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen, waarbij de hoedanigheid van bewaarder moet beoordeeld worden op het ogenblik van het ontstaan van de schade en niet op het ogenblik van het ontstaan van het gebrek. (Art. 1384, eerste lid Burgerlijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p435
Cass., 1° k. — 22 februari 2018 (AR C.17.0503.N), A.C., 2018/2, p. 437-440 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p437 Artikel 37, eerste lid, WCO strekt ertoe het in stand houden van bestaande en het aangaan van nieuwe contractuele verhoudingen aan te moedigen en het krediet van de schuldenaar te versterken ten einde de continuïteit van de onderneming veilig te stellen. (Art. 37, eerste lid, WCO).

Boedelschulden zijn in het faillissement niet aan de samenloop onderworpen en worden bij voorrang boven de andere schulden voldaan, maar aangezien boedelschulden afbreuk doen aan de gelijkheid tussen schuldeisers dienen zij beperkend te worden geïnterpreteerd.

Artikel 37, derde lid WCO strekt tot bescherming van de kredietverlening derwijze dat de bedoelde boedelschuldeisers geen afbreuk doen aan de rechten van zekerheidsschuldeisers op hun respectieve onderpand, tenzij wordt aangetoond dat de prestaties hebben bijgedragen tot het behoud ervan; het is nodig maar voldoende dat die schuldvorderingen hebben bijgedragen tot het behoud van die zekerheid of de eigendom. (Art. 37, derde lid, WCO).

Indien het zekerheidsrecht betrekking heeft op het geheel of een gedeelte van de activa van een onderneming, zoals een pand op een handelszaak, dan dragen de prestaties geleverd tijdens de periode van opschorting ertoe bij dat de handelsactiviteiten kunnen worden voortgezet met alle risico’s van dien, maar heeft dit daarom nog niet tot gevolg dat de economische waarde van deze activa bewaard worden in het vermogen van de onderneming, wat eerst het geval zal zijn indien de medecontractant in concreto aantoont dat de geleverde prestaties de economische waarde van het voorwerp van het zekerheidsrecht hebben bewaard. (Art. 37, derde lid, WCO).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p437
Cass., 1° k. — 23 februari 2018 (AR F.16.0102.F), A.C., 2018/2, p. 440-445 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p440 De openbare domeingoederen van de Staat en zijn private domeingoederen die bestemd zijn voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang, zijn, uit hun aard, niet aan belasting onderworpen. (Art. 170 Grondwet).

De openbare domeingoederen van de Staat en zijn private domeingoederen die bestemd zijn voor een openbare dienst of een dienst van algemeen belang, zijn slechts aan belasting onderworpen als een wettelijke bepaling daarin uitdrukkelijk voorziet; artikel 172, tweede lid, Grondwet, dat bepaalt dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet, is daarop niet van toepassing. (Art. 172, tweede lid, Grondwet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p440
Cass., 1° k. — 23 februari 2018 (AR F.17.0078.F), A.C., 2018/2, p. 445-451 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p445 Hoewel de strafvordering die het openbaar ministerie instelt wanneer het een opsporingsonderzoek opent, een rechtsvordering is zoals bedoeld in artikel 263, § 1, 3° WIB64, is de beslissing tot seponering, die niet van rechtsprekende aard is, geen beslissing die het voorwerp is van die rechtsvordering in de zin van artikel 263, § 2, 3°, van dat wetboek. (Art. 263, §§ 1 en 2, WIB64).

De voorwaarden waaronder de in artikel 259 WIB64 bedoelde aanslagtermijn wordt verlengd krachtens artikel 263, § 1, 3° en § 2, 3° of artikel 263, § 1, 4° en § 2, 4°, zijn niet cumulatief. (Artt. 259 en 263, § 1, WIB64).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p445
Cass., 3° k. — 26 februari 2018 (AR C.17.0479.N), A.C., 2018/2, p. 451-453 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p451 Uit de artikelen 10, § 2, Woninghuurwet en 1134 Burgerlijk Wetboek volgt dat het de partijen is toegestaan dat zij overeenkomen dat de huurder de huurwaarborg zal overhandigen aan een lasthebber die de gelden zal storten op een geblokkeerde rekening; indien een dergelijke betaling geschiedt aan de lasthebber van de verhuurder is deze betaling bevrijdend en draagt de lastgever het risico van de insolvabiliteit van de lasthebber.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p451
Cass., 3° k. — 26 februari 2018 (AR C.17.0487.N), A.C., 2018/2, p. 453-455 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p453 Uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals geregeld door de artikelen 26 en 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, volgt dat ook in andere zaken die hetzelfde voorwerp hebben als een reeds beantwoorde prejudiciële vraag, de rechter de wetsbepaling die het Grondwettelijk Hof ongrondwettig heeft bevonden, niet mag toepassen behoudens diens recht om een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p453
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.0284.N), A.C., 2018/2, p. 455-458 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p455 De door artikel 44 Strafwetboek bedoelde teruggave is een burgerrechtelijke maatregel met zakenrechtelijke werking die de rechter in geval van veroordeling verplicht dient te bevelen en deze maatregel, die in de regel terugwerkende kracht heeft, vereist dat de terug te geven zaken aan de eigenaar zijn ontnomen, ter beschikking staan van het gerecht en nog in natura aanwezig zijn; dit laatste wil zeggen dat die zaken, behoudens in de gevallen van zaakvervanging als bedoeld in de artikelen 28octies, § 1, en 61sexies, § 1, Wetboek van Strafvordering, niet op belangrijke wijze zijn gewijzigd.

Met de door artikel 44 Strafwetboek bedoelde teruggave worden de materiële gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf tenietgedaan en wordt de feitelijke toestand ten aanzien van de eigenaar van de goederen hersteld zoals die bestond vóór het plegen van het misdrijf zodat die maatregel zodoende ook strekt tot de vrijwaring van het algemeen belang en bijgevolg de openbare orde raakt; daarnaast houdt die teruggave ook elke maatregel in die beoogt de materiële gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf teniet te doen teneinde de feitelijke toestand te herstellen zoals die bestond vóór het plegen van het bewezen verklaarde misdrijf wat echter geen afbreuk doet aan het feit dat de rechter enkel de teruggave van een zaak die voldoet aan de hiervoor vermelde voorwaarden aan het slachtoffer van het misdrijf kan bevelen want de rechter die het slachtoffer schadevergoeding zou toekennen door hem een zaak terug te geven die niet aan deze voorwaarden voldoet, zou immers aan zijn schuldvordering op de dader een zakenrechtelijke werking verlenen die in strijd is met de artikelen 7 en 8 Hypotheekwet.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p455
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.0593.N), A.C., 2018/2, p. 458-463 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p458 De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging en zij beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst en moet een desgevallend gewijzigde toestand in aanmerking nemen; de enkele omstandigheid dat na het plegen van de vervolgde feiten wijzigingen werden aangebracht aan de constructie die het voorwerp uitmaakt van de strafvervolging of die constructie werd vervangen door een andere, belet niet dat de herstelvordering geënt blijft op de feiten van de strafvervolging, ook al maken de wijzigingen aan de geviseerde constructie of de vervanging ervan zelf niet het voorwerp uit van de strafvervolging; zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastlegging, blijft de herstelvordering geënt op de feiten van de telastlegging, spijts de aangebrachte wijziging of vervanging.

Een partij kan slechts incidenteel beroep instellen tegen een partij die tegen haarzelf principaal hoger beroep heeft ingesteld; de mogelijkheid van incidenteel beroep is evenwel niet beperkt tot de schadeposten waarvoor er een principaal hoger beroep is ingesteld en ook voor andere posten van de burgerlijke rechtsvordering is incidenteel beroep mogelijk. (Art. 203, §4, Wetboek van Strafvordering).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p458
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.0606.N), A.C., 2018/2, p. 463-465 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p463 Noch uit artikel 6 EVRM noch uit artikel 47bis Wetboek van Strafvordering volgt dat het afnemen van een ademtest of een ademanalyse slechts mag gebeuren met de bijstand van een raadsman.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p463
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.0618.N), A.C., 2018/2, p. 465-467 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p465 Artikel 187, § 9, Wetboek van Strafvordering houdt in dat het hoger beroep tegen een vonnis waarbij het verzet ongedaan wordt verklaard, van rechtswege het geschil in zijn geheel ter beoordeling voorlegt aan de appelrechter, met als enige beperking de relatieve werking van het verzet; hieruit volgt dat artikel 204 Wetboek van Strafvordering geen toepassing vindt in zoverre het hoger beroep het bij het verstekvonnis beoordeelde geschil beoogt, zodat de appellant niet moet preciseren welke zijn grieven zijn tegen dat vonnis zoals in dat artikel bepaald.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p465
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.0895.N), A.C., 2018/2, p. 467-473 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p467 De burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter en de daardoor ingestelde strafvordering zijn slechts ontvankelijk wanneer de aangeklaagde feiten beantwoorden aan een door de wet als misdaad of wanbedrijf gekwalificeerd misdrijf en aannemelijk wordt gemaakt dat die feiten de burgerlijke partij hebben benadeeld. (Art. 63 Wetboek van Strafvordering).

Het onderzoeksgerecht is bevoegd om de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling te beoordelen wanneer deze het gerechtelijk onderzoek op gang heeft gebracht zonder dat het openbaar ministerie een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft genomen of een verwijzing naar het vonnisgerecht heeft gevorderd; in dat geval vormt de burgerlijkepartijstelling immers de grondslag voor het bestaan van de strafvordering, waarvan de ontvankelijkheid ter beoordeling staat van de onderzoeksgerechten.

Het onderzoeksgerecht moet de burgerlijke partijstelling en de daardoor op gang gebrachte strafvordering niet-ontvankelijk verklaren wanneer het oordeelt dat de burgerlijke partij haar schade ingevolge de aangeklaagde feiten niet aannemelijk maakt of niet beschikt over het vereiste belang; het feit dat voor het uitoefenen van de strafvordering betreffende het aangeklaagde misdrijf geen burgerlijkepartijstelling vereist is, doet daaraan geen afbreuk en daardoor wordt het recht van verdediging van de burgerlijke partij niet miskend.

Het enkele feit dat een persoon klacht met burgerlijkepartijstelling doet, verplicht het openbaar ministerie niet een gerechtelijk onderzoek te vorderen.

De beoordeling van de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling houdt geen verband met de vraag of het openbaar ministerie een gerechtelijk onderzoek heeft gevorderd en of de onderzoeksrechter effectief een gerechtelijk onderzoek heeft gevoerd.

De rechtsmacht van de onderzoeksrechter en vervolgens het onderzoeksgerecht strekt zich uit tot de in de klacht met burgerlijkepartijstelling vermelde strafbare feiten die de wet kwalificeert als misdaad of wanbedrijf, ongeacht of er al dan niet klacht is gedaan ten aanzien van een bepaalde persoon; tot die feiten behoort niet de aanvoering van de klager dat hij benadeeld is door de aangeklaagde misdrijven omdat hij daarvoor is vervolgd terwijl zij zouden zijn gepleegd door de persoon tegen wie hij klacht doet nu die aanvoering geen verband houdt met de bedoelde rechtsmacht.

Het feit dat de burgerlijke partij is vervolgd voor ten nadele van anderen gepleegde misdrijven waardoor zijzelf geen schade heeft geleden, verleent haar niet het vereiste belang voor haar burgerlijkepartijstelling, ongeacht of de veroordeling van de beweerde werkelijke dader van die misdrijven haar tot nut zou strekken; aldus heeft zij noch het vereiste materiële belang, noch het vereiste morele belang.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p467
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.1039.N), A.C., 2018/2, p. 473-475 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p473 Wanneer een beklaagde die hoger beroep instelt, in zijn grievenformulier de rubriek “schuld” aankruist, geeft hij aan dat hij alle bestanddelen van de beslissing over de schuld wenst aan te vechten wat inhoudt dat hij daarmee ook de bewijsgegevens die een schuldigverklaring kunnen ondersteunen en bijgevolg ook de wettigheid en regelmatigheid van de bewijsvoering bedoelt; van die beklaagde kan niet geëist worden dat hij ook afzonderlijk opgave doet van de wettigheid en de regelmatigheid van het bewijs van de schuld als afzonderlijke grief.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p473
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.1074.N), A.C., 2018/2, p. 475-484 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p475 Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, de mogelijkheid moet hebben om de zaak opnieuw en ditmaal in haar aanwezigheid te laten beoordelen, tenzij vaststaat dat zij heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of zij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering en de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.

De enkele omstandigheid dat de afwezigheid van de verzetdoende partij aan haar eigen nalatigheid is te wijten, sluit het voorhanden zijn van een wettige reden van verschoning in de zin van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering niet uit; zij moet de aangevoerde wettige reden van verschoning niet bewijzen maar wel aannemelijk maken en het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de aangevoerde reden beantwoordt aan het begrip “wettige reden van verschoning” waarbij het Hof slechts nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p475
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.18.0021.N), A.C., 2018/2, p. 484-486 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p484 Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beschikking van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt en is te onderscheiden van de reden op grond waarvan de appellant de hervorming van de beschikking beoogt.

De grieven zijn nauwkeurig bepaald in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering wanneer de appelrechter en de partijen met zekerheid de beschikking of beschikkingen van het beroepen vonnis kunnen bepalen waarvan de appellant de hervorming vraagt of met andere woorden de saisine van de appelrechter kan worden bepaald; daarbij is het gegeven dat het openbaar ministerie de door de eerste rechter opgelegde straf onvoldoende beteugelend vindt, terwijl die straf overeenstemt met wat door het openbaar ministerie voor de eerste rechter werd gevorderd, niet relevant.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p484
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.18.0186.N), A.C., 2018/2, p. 486-488 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p486 Voor de toepassing van artikel 4.6 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, zoals uitgelegd door het arrest C–66/08 van 17 juli 2008 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, volstaat het niet dat de persoon waarvan de overlevering wordt gevraagd in de uitvoerende lidstaat woonachtig is of er verblijft en moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit integendeel nagaan of er in een concrete situatie sprake is van een band tussen de betrokkene en de uitvoerende lidstaat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het begrip “verblijven” in de zin van artikel 4.6 Kaderbesluit op hem van toepassing is; de rechter moet dat uitmaken op basis van een globale beoordeling van verschillende objectieve elementen die de situatie van de betrokkene kenmerken, waaronder de duur, de aard en de voorwaarden van zijn verblijf, alsook de familiale en economische bindingen die hij met de uitvoerende lidstaat heeft. (Art. 6, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p486
Cass., 2° k. — 27 februari 2018 (AR P.17.0509.N), A.C., 2018/2, p. 488-500 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p488 Het uit de bepalingen van artikel 2 Strafwetboek, artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR voortvloeiende verbod voor de rechter om een wet die een zwaardere straf bepaalt toe te passen op feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, geldt niet alleen voor wetten die in strafsancties voorzien, maar ook voor wetten die reeds door de rechter opgelegde strafsancties herdefiniëren of wijzigen; hoewel het toestaan van een proeftijd aan een veroordeelde door de tenuitvoerlegging van de straffen uit te stellen als bedoeld in artikel 1, § 1, 2°, en 8 Probatiewet een strafuitvoeringsmodaliteit is die integraal deel uitmaakt van de straf, houdt de herroeping van het uitstel van tenuitvoerlegging na een veroordeling ingevolge het plegen van nieuwe strafbare feiten tijdens de proeftijd geen herdefiniëring of wijziging van de door de rechter met de eerste veroordeling opgelegde straf in, voor zover die herroeping wordt beoordeeld volgens bepalingen die van toepassing zijn op het tijdstip van de veroordeling die uitstel van tenuitvoerlegging toekent.

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p488
Cass., Beschikking — 28 februari 2018 (AR C.18.0077.F), A.C., 2018/2, p. 500-503 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p500 Wanneer het hof van beroep in burgerlijke zaken uitspraak doet over een vordering tot wraking, blijft de door artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde schorsende werking voortduren gedurende de termijn van het ingestelde cassatieberoep tegen een dergelijke beslissing en, indien dat buitengewoon rechtsmiddel binnen de termijn wordt uitgeoefend, totdat het Hof hierover uitspraak heeft gedaan; het voortduren van de schorsende werking die verbonden is aan de wraking ontneemt aan het verzoek tot inkorting zijn voornaamste voorwerp. (Artt. 28, 837, eerste lid, 1118 en 1094/1 Gerechtelijk Wetboek).

Uit de loutere omstandigheid dat een vordering in kortgeding per definitie dringend van aard is, kan niet worden afgeleid dat het algemeen belang of de volstrekte noodzakelijkheid vereisen dat van het gemeenrecht wordt afgeweken bij het vaststellen van het tijdsverloop van de rechtspleging. (Artt. 28, 837, eerste lid, 1118 en 1094/1 Gerechtelijk Wetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p500
Cass., 2° k. — 28 februari 2018 (AR P.17.0500.F), A.C., 2018/2, p. 503-505 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p503 Een vermogensvoordeel is uit een misdrijf verkregen indien er een oorzakelijk verband bestaat tussen dat misdrijf en het in aanmerking genomen vermogensvoordeel; de wet onderwerpt de verbeurdverklaring van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken niet aan de voorwaarde dat de dader van het misdrijf, door het plegen ervan, de bedoeling had zich te verrijken of zich effectief verrijkt heeft; die straf kan worden toegepast, bij wijze van rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen, op alle goederen en waarden die de dader van het misdrijf door het plegen ervan heeft verkregen, ongeacht het gevolgde opzet, het voordeel dat hij eruit heeft gehaald of de bestemming die hij later aan die zaken heeft gegeven. (Art. 42, 3°, Strafwetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p503
Cass., 2° k. — 28 februari 2018 (AR P.17.1151.F), A.C., 2018/2, p. 505-509 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p505 Er is geen verzwaring van de in eerste aanleg uitgesproken straffen wanneer de rechter in hoger beroep, die kennisneemt van het hoger beroep tegen een vonnis dat één enkele straf voor verschillende telastleggingen uitspreekt, de beklaagde vrijspraak verleent voor bepaalde telastleggingen en die straf handhaaft voor de overige door de eerste rechter bewezen verklaarde telastleggingen of wanneer hij het aantal slachtoffers van de bewezen gebleven telastleggingen beperkt en de straf handhaaft. (Art. 211bis Wetboek van Strafvordering).

Wanneer de wet bepaalt dat het bedrag van de geldboete wordt bepaald in functie van het aantal slachtoffers van het misdrijf, moeten, om de door de appelrechter uitgesproken geldboete te vergelijken met de door de eerste rechter opgelegde geldboete, de bedragen in aanmerking worden genomen die voortvloeien uit de vermenigvuldiging van het bedrag van de geldboete met het aantal slachtoffers ten aanzien van wie die rechters het misdrijf bewezen hebben verklaard; aldus, wanneer de appelrechters het aantal slachtoffers van het misdrijf beperken en het bedrag van de geldboete per slachtoffer verhogen, dienen zij over die straf niet met eenparigheid van stemmen uitspraak te doen als de opgelegde geldboete, die voortvloeit uit de vermenigvuldiging, niet wordt verzwaard. (Art. 211bis Wetboek van Strafvordering; art. 77quinquies, vierde lid, Vreemdelingenwet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p505
Cass., 2° k. — 28 februari 2018 (AR P.17.1216.F), A.C., 2018/2, p. 509-512 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p509 Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij tot een gedraging overgaat, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is; het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die tot een gedraging overgaat, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten; het voormelde wettigheidsbeginsel staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent; er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Door te stellen dat de beklaagde kinderpornografisch materiaal heeft bewaard dat bestond uit foto’s van geslachtsdelen van kinderen voor hoofdzakelijk seksuele doeleinden, stelt de feitenrechter vast dat die beelden, die de beklaagde bezat, het verboden onderwerp op de strafbaar gestelde wijze weergaven. (Art. 383bis Strafwetboek).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p509
Cass., 2° k. — 28 februari 2018 (AR P.18.0004.F), A.C., 2018/2, p. 512-515 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p512 Het middel dat de bestreden beslissing verwijt niet dezelfde uitwerking toe te kennen aan een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als de uitwerking die de eiser eraan toeschrijft, voert geen miskenning van de bewijskracht van akten aan. (Artt. 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek).

Aangezien geen enkele wets- of verdragsbepaling bepaalt welke de gevolgen zijn van de vaststelling dat de omstandigheden van de hechtenis van een geesteszieke in strijd waren met artikel 3 EVRM, kan daaruit niet worden afgeleid dat een dergelijke vaststelling noodzakelijkerwijs moet leiden tot de invrijheidstelling van die persoon. (Artt. 3 en 5.1 EVRM).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p512
Cass., 2° k. — 28 februari 2018 (AR P.18.0166.F), A.C., 2018/2, p. 515-516 https://www.stradalex.com/DBPro/NL/Document/html/getDocFromRss/sl_rev/ac2018_2p515 De omstandigheid dat een rechter werd aangewezen als onderzoeksrechter door de voorzitter van het rechtscollege kan worden bewezen door de authentieke vaststellingen van het aanhoudingsbevel; in een dergelijk geval is niet vereist dat de aanwijzingsbeschikking van de voorzitter bij het dossier wordt gevoegd. (Art. 16 Voorlopige Hechteniswet).

]]>
Thu, 19 Sep 2019 00:00:00 +0200 ac2018_2p515